Oude Vergiftige Stortplaatsen in Nederland

Bodembeleid algemeen

1. Hoe zit het bodembeleid in elkaar?
2. Hoe staat het met het nieuwe bodembeleid?
3. Wat houdt het nieuwe bodembeleid in?
4. Waarom nieuw bodembeleid?
5. Wat is duurzaam bodemgebruik?
6. Wat betekent het uitgangspunt 'de gebruiker centraal'?
7. Wat houdt de risicobenadering in?
8. Welke nieuwe instrumenten bevat het bodembeleid?
9. Waar vind ik meer informatie over het nieuwe bodembeleid?

Bodemsaneringsbeleid

10. Hoeveel locaties in Nederland zijn verontreinigd?
11. Hoe zijn de verontreinigingen ontstaan?
12. Wat zijn de uitgangspunten van het bodemsaneringsbeleid?
13. Wat was Bever?
14. Wat houdt het kabinetsstandpunt vernieuwing bodemsanering in?
15. Wat is bodemsanering?
16. Wat is multifunctioneel saneren?
17. Wat is mobiele verontreiniging?
18. Wat is de procesbeschrijving?
19. Wat is immobiele verontreiniging?
20. Wat is functiegericht saneren?
21. Moet bij een sanering alle verontreiniging direct worden gesaneerd?
22. Welke saneringsmethoden zijn er?
23. Wat houdt continue nazorg of blijvend beheren in?
24. Is een ondernemer of burger verplicht om te saneren?
25. Wat moeten bedrijven doen om bodemverontreiniging te voorkomen?
26. Kunnen ondernemers zich verzekeren tegen bodemverontreiniging?
27. Moet een gemeente bij bodemvervuiling bewoners informeren?
28. Wat houdt het project Landsdekkend beeld 2005 in?
29. Welke geldpotjes zijn er voor saneringen?

Bodembeleid algemeen

1. Hoe zit het bodembeleid in elkaar?
Het Rijk heeft als taak te zorgen voor een goede bodemkwaliteit om duurzaam gebruik van de bodem mogelijk te maken. Het Rijk ontwikkelt het bodembeleid. Provincies en gemeenten voeren het uit. Zij zijn de eerst verantwoordelijke voor de uitvoering en het aanspreekpunt voor specifieke gevallen van bodemverontreiniging. VROM is verantwoordelijk voor het bodembeleid en ondersteunt de lagere overheden bij de uitvoering van het beleid.
Het bodembeleid onderscheidt 3 soorten grond en bodem met ieder hun eigen beleid en wet- en regelgeving:

2. Hoe staat het met het nieuwe bodembeleid?
Het kabinet heeft in december 2003 de beleidsbrief goedgekeurd. De brief schetst de contouren voor een nieuw bodembeleid. Het beleid wordt, kort gezegd, duurzamer, eenvoudiger en consistenter. De gebruiker van de bodem krijgt het recht de bodem te gebruiken, maar ook de plicht er zorgvuldig mee om te gaan. Het nieuwe beleid gaat over meer dan bodemverontreiniging alleen. Het sluit bijvoorbeeld aan bij de herziening van het Europese landbouwbeleid. Provincies, waterschappen en gemeenten moeten bij beslissingen over het gebruik van de bodem de mogelijke effecten ervan beoordelen. Dit wordt vastgelegd in een bodembeheerplan of verordening, waarop inspraak mogelijk is. Om de gevolgen van het bodemgebruik op langere termijn te kunnen beoordelen is meer kennis nodig. Het kabinet stelt daarvoor middelen beschikbaar. Burgers en bedrijven krijgen beter toegang tot betrouwbare bodeminformatie.
Het nieuwe bodembeleid wordt uitgewerkt in een uitvoeringsprogramma. SenterNovem, een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Economische Zaken, informeert via de website Bodem+ over het nieuwe bodembeleid: http://www.senternovem.nl/Bodemplus.
Over de brief is begin 2004 met de Tweede kamer gedebatteerd. VROM heeft op 26 maart 2004 50 schriftelijke Kamervragen beantwoord (zie Kamerstukken).
Zie ook:

3. Wat houdt het nieuwe bodembeleid in?
Het bodembeleid gaat zich richten op een bewuster en meer duurzaam gebruik van de bodem, waarbij de (gebruiks)waarde van de bodem behouden moet blijven.

4. Waarom nieuw bodembeleid?
Een nieuw bodembeleid is nodig omdat:

5. Wat is duurzaam bodemgebruik?
Duurzaam bodemgebruik betekent dat er geen roofbouw wordt gepleegd op de bodem. Het wil zeggen dat het huidige gebruik van de bodem de mogelijkheid om in de behoeften van onze kinderen en kleinkinderen te voorzien (landbouw, natuur, drinkwater en bijvoorbeeld woningbouw) niet in gevaar brengt. Het betekent ook dat de ene bodemgebruiker niet de andere gebruiker in de weg zit. We willen in Nederland immers zowel koeien in de wei als genieten van de natuur en het landschap. Duurzaamheid staat centraal in het vierde nationale milieubeleidsplan (zie dossier NMP4). Voor meer info over duurzaamheid, zie ook het dossier Duurzame ontwikkeling.

6. Wat betekent het uitgangspunt 'de gebruiker centraal'?
Gebruikers zijn alle personen of instanties die de bodem gebruiken: dat kunnen boeren zijn, maar ook planologen, projectontwikkelaars, natuurbeschermers, gemeentelijke of provinciale beleidsmakers of wie dan ook activiteiten plant of uitvoert op of in de bodem. De gebruiker is als eerste verantwoordelijk voor de kwaliteitsontwikkeling van de bodem.
Voor een gemeente betekent deze nieuwe insteek dat zij bij nieuwe ontwikkelingen en ruimtelijke ontwikkelingsplannen zich de volgende vragen stelt:

 

7. Wat houdt de risicobenadering in?
Het nieuwe beleid koppelt het gebruik van de bodem consequenter aan de mogelijkheden tot blootstelling aan en verspreiding van bodemverontreiniging. De geschiktheid van de bodem voor het gewenste gebruik is dus het uitgangspunt. In situaties dat bij het gebruik van de bodem de kans op blootstelling aan of de verspreiding van verontreiniging niet zo groot is kunnen we veel met de bodem en zijn er niet veel beperkingen aan het gebruik.
Naarmate die kans toeneemt moeten we meer zorgvuldigheid betrachten en kunnen we de bodem minder vrij gebruiken. Iedereen wil de zekerheid dat hij of zij geen gevaar loopt. Vandaar die grotere zorgvuldigheid en het ervoor zorgen dat informatie beschikbaar is. Dat we die bodem minder vrij kunnen gebruiken hoeft niet altijd een probleem te zijn, want niet iedereen wil bijvoorbeeld een huis met een tuin. Maar omdat we die sterker verontreinigde bodem voor minder gebruiksdoeleinden kunnen benutten zullen in het algemeen vaker maatregelen moeten worden genomen om de bodemkwaliteit te verbeteren.
Soms is de kans op blootstelling aan en verspreiding van bodemverontreiniging bij het aanwezige of voorgenomen bodemgebruik zo groot dat er sprake is van 'onacceptabele' risico's. In die situaties moeten er direct maatregelen worden genomen, waardoor in ieder geval die onacceptabele risico's worden weggenomen. Vanwege het belang zal het rijk zorgen voor nieuwe normen voor onacceptabele risico's. Daarin worden ook de nieuwste wetenschappelijke inzichten over milieu- en gezondheidsrisico's meegenomen. In de andere situaties bepalen gemeenten, provincies en voor de waterbodem de waterschappen, welke bodemkwaliteit moet worden nagestreefd gegeven het (voorgenomen) gebruik.

8. Welke nieuwe instrumenten bevat het bodembeleid?

9. Waar vind ik meer informatie over het nieuwe bodembeleid?
Op de website Bodem+ van SenterNovem, een uitvoeringsorganisatie van het ministerie van Ecnomische Zaken, staat meer informatie over het nieuwe bodembeleid, onder de titel Beleidsbrief bodem. Met de beleidsbrief wordt de brief waarmee VROM in december 2003 de Tweede Kamer informeerde over de hoofdlijnen van het nieuwe bodembeleid. Bezoek de website van Bodem+: http://www.senternovem.nl/Bodemplus.

Bodemsaneringsbeleid

10. Hoeveel locaties in Nederland zijn verontreinigd?
Lekkerkerk, Volgermeerpolder, Griftpark en Kralingen zijn bekende voorbeelden van vervuilde locaties uit de jaren '70 en '80. Er zijn echter veel meer vervuilde fabrieksterreinen of bijvoorbeeld stortplaatsen waar de grond verontreinigd is. De exacte omvang van de bodemverontreiniging is niet bekend. Volgens voorlopige schattingen is op meer dan 175.000 plaatsen sprake van ernstige verontreiniging. De totale kosten voor sanering worden geschat op zo'n 18,15 miljard euro. Duidelijk is dat bodemverontreiniging een ernstig maatschappelijk en milieuprobleem is. 
Om een beter beeld te krijgen van de omvang van de ernstige verontreinigingen wordt gewerkt aan een zogenaamd landsdekkend beeld. Dan kunnen ook de kosten beter worden ingeschat.

11. Hoe zijn de verontreinigingen ontstaan?
Verontreinigingen zijn vooral veroorzaakt door onzorgvuldige omgang met stoffen en het domweg - legaal of illegaal - dumpen van afval. Voorbeelden zijn er te over en van (bijna) alle tijden. Zo staan huizen in oude steden niet zelden op een metershoge 'stadslaag', een laag die gevormd is door het eeuwenlang dumpen van stadsafval. In die laag ligt huisvuil en bouwresten van huizen, maar ook afval van kleine vervuilende industrieŽn als leerlooierijen en verffabriekjes. De grond rond voormalige gasfabrieken is vaak ernstig vervuild. Die fabrieken lagen veelal buiten oude stadskernen op locaties die tegenwoordig in trek zijn voor woningbouw of recreatie. In de jaren '70 van de vorige eeuw zijn soms hele woonwijken bouwrijp gemaakt met verontreinigd baggerslib. Er zijn vuilnisbelten waar tot de jaren '80 op grote schaal giftige en soms zelfs radioactieve stoffen illegaal zijn gedumpt. Rond benzinestations en ondergrondse olietanks uit die periode komt vaak kleine bodemvervuiling voor.
Ook in het landelijk gebied komen veel situaties voor waar de bodem bewust of onbewust vervuild is: een ongeluk met een vrachtwagen of trein met chemicaliŽn, een pomphouder die olie morst, illegale stortingen van giftige stoffen, een fotolab dat ontwikkelaar door de gootsteen giet of een fabrikant die verontreinigd water of slib in een rivier loost. Bodemvervuiling ontstaat soms ook door lekkende, ondergrondse tanks. Op talloze manieren kunnen chemische stoffen, oliŽn en andere milieugevaarlijke materialen als zware metalen en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) in het milieu komen.

12. Wat zijn de uitgangspunten van het bodemsaneringsbeleid?
Het overheidsbeleid voor bodemsanering is gebaseerd op de doelstelling uit het derde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP3) om 'alle ernstige gevallen van bodemverontreiniging gesaneerd dan wel beheerst te hebben ultimo 2022'. Ook staat in het NMP3 dat alle bodemverontreiniging in 2005 in kaart moet zijn gebracht. Dit wordt wel het landsdekkend beeld bodemverontreiniging genoemd. In het NMP4 staat geen nieuw beleid voor de bodem of bodemsanering. De uitgangspunten uit het NMP3 gelden derhalve nog steeds, al wordt nu uitgegaan van 2030.Het beheersbaar zijn van de bodemverontreiniging betekent dat de bodem voor die tijd geschikt moet worden gemaakt voor het gebruik dat maatschappelijk wordt gewenst.. Daarnaast moet verspreiding van verontreinigingen worden voorkomen.
Het saneringsbeleid is begin 2002 vernieuwd, ondermeer op grond van het project Beleidsvernieuwing bodemsanering (Bever). Dit project heeft geleid tot het kabinetsstandpunt over de vernieuwing van het bodemsaneringsbeleid (kortweg KS 2002). Dit regeringsstandpunt is begin 2002 in de Tweede Kamer behandeld. In het nieuwe beleid is het zogenaamde functiegericht saneren het uitgangspunt. .
In het saneringsbeleid gelden saneringsdoelstellingen voor mobiele en immobiele verontreiniging. . Het vernieuwde beleid moet nog worden vastgelegd in de Wet bodembescherming (Wbb). VROM werkt aan aanpassing van de Wbb. VROM werkt ook aan een eenvoudige procedures voor gelijksoortige en kortlopende saneringen. De regels hiervoor komen in het Besluit uniforme saneringen (BUS) en de Regeling uniforme saneringen (RUS) die naar verwachting eind 2005 in werking treden (zie dossier Bodemverontreiniging).
Begin maart 2005 meldde de Algemene Rekenkamer in haar rapport Voortgang bodemsanering dat VROM onvoldoende grip heeft op de bodemsaneringsoperatie. Daardoor is onduidelijk welke verontreinigingen tegen welke kosten worden gesaneerd, of de saneringen naar behoren worden uitgevoerd en of de bodemsaneringsoperatie in 2030 zijn afgerond. In een brief aan de Tweede Kamer van 7 april 2005 is als reactie op de kritiek van de ARK het bodemsaneringsbeleid uiteengezet.

13. Wat was Bever?
Bever staat voor het project beleidsvernieuwing bodemsanering. Het project is eind 2000 afgerond. Het had als doel nieuw beleid te ontwikkelen om de stagnatie van de bodemsaneringen die zich halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw voordeed, te doorbreken. Door de stagnatie dreigde verontreinigingen zich verder in de bodem te verspreiden. Bovendien werden de bouw van nieuwe woonwijken, de herinrichting van bedrijventerreinen en bijvoorbeeld de aanleg van wegen erdoor belemmerd. En het had zeker tot ver in de huidige eeuw geduurd voor alle bekende gevallen van ernstige verontreiniging zouden zijn opgeruimd.
Een belangrijke oorzaak voor de stagnatie was de doelstelling van 'multifunctioneel saneren'. Ook was de overheidsregie te strak en regelgeving vaak ingewikkeld, waardoor investeerders nauwelijks bereid bleken geld te stoppen in het bouwrijp maken van verontreinigde locaties. Dat terwijl zeker projectontwikkelaars graag op interessante locaties willen bouwen.
Uitgangspunt van het project Bever was het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving door zoveel mogelijk aan te haken bij ruimtelijke en bedrijfsmatige initiatieven. Daardoor moet de saneringsoperatie gemakkelijker, goedkoper en sneller worden uitgevoerd.
In het project werkten VROM, de ministeries van FinanciŽn, Verkeer en Waterstaat en Economische Zaken samen met provincies, gemeenten, de vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht), de werkgeversorganisatie VNO/NCW en het midden- en kleinbedrijf. Het project leverde in september 2000 zijn eindrapport. Dit vormde de basis voor het kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering (KS 2002). Het saneringsbeleid stoelt op dit kabinetsstandpunt. Download het kabinetsstandpunt KS2002

14. Wat houdt het kabinetsstandpunt vernieuwing bodemsanering in?
Het kabinetsstandpunt over de vernieuwing van het bodemsaneringsbeleid (kortweg KS 2002) vormt de basis van het huidige saneringsbeleid voor historische verontreinigingen. Het kabinetsstandpunt bevat nieuwe saneringsdoelstellingen en een nieuwe saneringsaanpak, een andere financieringswijze op basis van vijfjarenprogramma's, een saneringsplicht, een basis voor invoering van de Bedrijvenregeling en bijvoorbeeld meer aandacht voor toezicht en handhaving.
Download het kabinetsstandpunt KS2002

15. Wat is bodemsanering?
Saneren betekent gezond maken of zuiveren. Bodemsanering betekent dat de bodem zo wordt schoongemaakt dat de risico's voor mens en milieu worden weggenomen. Vanaf 1983 bestond er een interim-wet voor bodemsanering. Die verviel nadat in 1994 aparte regels voor bodemsanering in de Wet bodembescherming (Wbb) zijn opgenomen. Dat jaar is de zogenaamde saneringsparagraaf toegevoegd aan de Wbb. Uitgangspunt in deze paragraaf was het zogenoemde multifunctioneel saneren. . De paragraaf maakt het verder onder meer mogelijk veroorzakers van verontreinigingen en eigenaren van verontreinigde terreinen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid om bij te dragen aan bodemsanering.

16. Wat is multifunctioneel saneren?
Multifunctioneel saneren betekent dat de bodem na een schoonmaakoperatie weer voor elke functie geschikt moet zijn: de vestiging van een fabriek, flatgebouw of een akker. Deze vorm van saneren maakte deel uit van het oude beleid en wordt in het huidige, vernieuwde bodemsaneringsbeleid niet meer gehanteerd. Multifunctioneel saneren is namelijk duur: de verontreinigde grond moet worden afgevoerd en gereinigd, opgeslagen of op een vuilnisbelt worden gestort. De verwerking kost ook energie en legt beslag op ruimte (opslag- of stortcapaciteit). Dat betekent niet dat multifunctioneel saneren niet meer voorkomt. Als gevolg van het nieuwe beleid wordt het alleen niet meer dwingend voorgeschreven. Saneerders kunnen er nog altijd voor kiezen om een verontreinigde bodem multifunctioneel te saneren.

17. Wat is mobiele verontreiniging?
Mobiele verontreiniging is verontreiniging die zich verder verspreidt in bodem of grondwater. Bij mobiele verontreiniging moet worden gestreefd naar zo laag mogelijke restconcentratie en volume. De overheid streeft naar het volledig opruimen van deze verontreinigingen. Dat is echter lang niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld als de bron van de verontreiniging te diep zit of onder bebouwing, of wanneer de schade of kosten van de sanering niet opwegen tegen de milieueffecten van verwijdering van de verontreiniging.
Het rapport Doorstart A5 beschrijft hoe bij mobiele verontreiniging de verontreiniging van grond en grondwater kan worden aangepakt. Ook bevat het een stappenplan (beter bekend als procesbeschrijving) voor de aanpak van mobiele verontreiniging.

18. Wat is de procesbeschrijving?
Het rapport Doorstart A5 geeft een zogenaamde procesbeschrijving voor het omgaan met mobiele verontreiniging in de ondergrond. Deze beschrijving geeft een handvat om verschillende saneringsvarianten af te wegen en op basis daarvan een variant te kiezen. Met behulp van de procesbeschrijving kan de verontreiniging van grond en grondwater tot een minimum worden beperkt.
Op een terrein waar de verontreiniging in de ondergrond sijpelt, moet er alles aan worden gedaan om de gehele verontreiniging op te ruimen. Wie van dat principe wil afwijken, bijvoorbeeld omdat de kosten in verhouding te hoog zijn, moet dit motiveren aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is de overheidsinstelling die het saneringsplan moet goedkeuren.

19. Wat is immobiele verontreiniging?
Immobiele verontreiniging is verontreiniging die zich niet verder in bodem of grondwater verspreidt. Op locaties waar de verontreiniging zich niet in de ondergrond verspreidt, mag functiegericht worden gesaneerd. Bij immobiele verontreiniging worden vier functies onderscheiden: wonen, extensief groen (groen waarmee geen intensief contact wordt gemaakt zoals wegbermen en plantenbakken in kantoortuinen), verharding (stoeptegels en bijvoorbeeld asfalt. Hierbij is geen contact met de bodem mogelijk) en landbouw en natuur. Voor de eerste twee functies gelden landelijke bodemgebruikswaarden (BGW). Deze waarden geven aan wat de kwaliteit van de bodem na sanering moet zijn. De BGW's staan in het rapport Van trechter naar Zeef. De BGW's staan ook in de Regeling locatiespecifieke omstandigheden. Voor de derde functie (verharding) gelden geen waarden. Voor de vierde functie (landbouw en natuur) zijn generieke BGW's in ontwikkeling.

20. Wat is functiegericht saneren?
Functiegericht saneren is alleen toegestaan bij immobiele verontreinigingen. Sinds het kabinetsstandpunt beleidsvernieuwing bodemsanering (KS 2002) is functiegericht saneren de norm. Het houdt in dat verontreinigde grond zodanig worden gereinigd als voor de toekomstige functie nodig is. Zo hoeft de bodem onder een parkeerterrein of kantoorgebouw minder schoon te zijn dan grond onder een stadspark of sportveld. Functiegericht saneren is 35 tot 50% goedkoper dan multifunctioneel saneren. Mede daarom is in het nieuwe bodemsaneringsbeleid geen plaats meer voor multifunctioneel saneren.

21. Moet bij een sanering alle verontreiniging direct worden gesaneerd?
Nee, onder 17 en 19 is beschreven in hoeverre verontreiniging verwijderd moet worden. Het is wel de bedoeling dat de maatregelen het hele geval van verontreiniging betreffen.

22. Welke saneringsmethoden zijn er?
Er zijn veel verschillende methoden van sanering. Zo kan de verontreinigde grond worden afgegraven of bijvoorbeeld ter plekke worden gereinigd. Verwijderen is het meest ingrijpend. In het nieuwe beleid is meer ruimte voor het ter plaatse reinigen van verontreinigde grond. Daarvoor worden zogenoemde in-situ reinigingstechnieken gebruikt. De bodem wordt dan doorgespoeld met water of er worden bacteriŽn ingebracht die bijvoorbeeld olie kunnen afbreken.
Ook kan de vervuilde grond van een laag schone grond van circa 1 meter worden voorzien. Daarvoor wordt eerst een laag afgegraven en vervolgens schone grond opgebracht. Dit wordt leeflaagsanering genoemd. Bij de leeflaagsanering wordt tegemoet gekomen aan de wens om ondanks de verontreiniging toch te kunnen tuinieren en bijvoorbeeld kinderen te laten spelen. Onder de laag schone grond zit een signaleringslaag waardoor niet dieper kan worden gegraven. Leeflaagsanering is dť saneringsmethode voor immobiele verontreiniging.

23. Wat houdt continue nazorg of blijvend beheren in?
Bij functiegericht saneren blijft een deel van de verontreiniging in de bodem achter. Daarom is nazorg nodig, de bodem moet 'blijvend worden beheerd'. Als de verontreiniging immobiel is hoeft er nauwelijks zorg aan te worden besteed, maar als er kans is op verspreiding kan de nazorg intensief zijn. Het houdt in dat regelmatig moet worden gemeten of de verontreiniging zich niet verplaatst en of folies, damwanden en drainage moeten worden vervangen. In een nazorgplan moeten hiervoor passende maatregelen zijn beschreven. Ook moet de kwaliteit van de verontreinigde bodem worden geregistreerd. Generatie na generatie moet, zolang als de verontreiniging blijft liggen, de situatie worden beheerst, beheerd en gecontroleerd.
Bij ernstige verontreiniging moet een kadastrale aantekening bij het Kadaster worden gemaakt. Voor informatie over verontreinigingen die blijvend moeten worden beheerd, is de bevoegde overheid - provincie of gemeente - de beste bron. De bevoegde overheid beschikt over rapporten en het nazorgplan van de betreffende locaties.

24. Is een ondernemer of burger verplicht om te saneren?
De overheid kan een burger of een bedrijf verplichten een verontreinigde bodem te saneren. Dat kan alleen als het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat de bodem ernstig is verontreinigd ťn urgent moet worden gesaneerd. Het bevoegd gezag bepaalt daarbij tevens het uiterlijke tijdstip van de sanering. Een burger of bedrijf kan niet tot sanering worden verplicht als hij kan aantonen niet betrokken te zijn geweest bij de oorzaak van de verontreiniging of bij aankoop van het terrein niet wist en niet kon weten dat de bodem was verontreinigd. In de praktijk verplicht de overheid burgers die in het verleden verontreinigde grond hebben gekocht niet snel tot sanering.
Het bevoegd gezag voor saneringen is de provincie of ťťn van de zogenaamde grote gemeenten (zie overzicht bevoegdgezag gemeente).

25. Wat moeten bedrijven doen om bodemverontreiniging te voorkomen?
Bedrijven hebben over het algemeen een milieuvergunning nodig. In die vergunning, die is voorgeschreven op grond van de Wet milieubeheer, staan ook voorschriften voor de bescherming van de bodem. In de milieuvergunning staat bijvoorbeeld dat ondernemers die grond- of afvalstoffen opslaan vloeistofdichte vloeren, opslagvoorzieningen voor spoelbaden en bijvoorbeeld tegen overbelasting beveiligde opslagtanks moeten hebben. Bij risicovolle locaties moeten zij peilbuizen plaatsen. Ook moeten ondernemers ondergrondse en bovengrondse leidingen regelmatig controleren op lekken. Deze voorschriften uit de milieuvergunning zijn gebaseerd op de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). Meer info over de NRB op de website van InfoMil (zie Meer info).

26. Kunnen ondernemers zich verzekeren tegen bodemverontreiniging?
Ja. Sinds 1998 bestaat de milieuschadeverzekering. Hieronder valt schade ontstaan door water- en bodemverontreiniging aan zowel het terrein van derden als aan het eigen gebied. Deze verzekering dekt alleen toekomstige schade. Let op: ook bedrijven die zich houden aan de milieuvergunning, kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de verontreiniging die ze veroorzaken.

27. Moet een gemeente bij bodemvervuiling bewoners informeren?
Ja. De Wet bodembescherming verplicht gemeenten om gevallen van ernstige bodemverontreiniging aan de provincie op te geven, en de eigenaar hiervan op de hoogte te stellen. Bij een vermoeden van vervuiling moet de gemeente zich op de hoogte stellen van de ernst van de verontreiniging en belanghebbenden hierover informeren. Bewoners kunnen een gemeente privaatrechtelijke aanspreken als ze denken schade te ondervinden doordat informatie over bodemvervuiling onder hun woning wordt achtergehouden.

28. Wat houdt het project Landsdekkend beeld 2005 in?
Dit is een project van Rijk, provincies en gemeenten om alle ernstige bodemverontreiniging in Nederland in kaart te brengen. Die opgave komt voort uit het derde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP3). Voor het project is het stappenplan Landsdekkend beeld 2005 opgesteld.
Meer info: zie dossier Bodemverontreiniging: http://www.vrom.nl/bodemverontreiniging.

29. Welke geldpotjes zijn er voor saneringen?
Er bestaan 3 budgetten voor bodemsaneringen: